Aziatische Kunst in Nederland
In 1918 werd de VVAK opgericht met het doel om grotere bekendheid te geven aan kunst uit Azië, belangstellenden met elkaar in contact te brengen en de wetenschapsbeoefening op dit gebied te bevorderen. Dit doel probeert de Vereniging te bereiken door het beheren van een collectie en het uitbreiden daarvan, het organiseren van tentoonstellingen, specimen meetings, excursies en publicaties, het uitgeven van het tijdschrift Aziatische Kunst en een Nieuwsbrief, en samenwerking met soortgelijke verenigingen in binnen- en buitenland.
Van Museum naar Paviljoen Voor de verwezenlijking van de doelstellingen was een eigen museum van Aziatische kunst onontbeerlijk: een plek in Nederland waar permanent kunstwerken uit Azië te zien zouden zijn. Deze kwam er ook. In 1932 openden de deuren van het Museum van Aziatische Kunst in het Stedelijk Museum in Amsterdam.
Het museum verhuisde in 1952 naar het Rijksmuseum, waar de collectie sindsdien is gehuisvest. Met de heropening van het Rijksmuseum in 2013 is de collectie in een speciaal ontworpen Aziatisch Paviljoen in volle glorie weer voor het publiek tentoongesteld.
De collectie Enkele jaren na de oprichting van de VVAK werd een begin gemaakt met het verzamelen van een collectie Aziatische voorwerpen van hoog niveau. In de loop der jaren is een veelzijdige collectie kunstvoor-werpen uit Azië bijeen gebracht.
De collectie telt zo’n 1730 objecten en geniet internationale bekendheid. Door aankopen en schenkingen en legaten breidt de collectie zich nog steeds verder uit. De collectie van de Vereniging bestaat uit ‘verspreide hoogtepunten’, goede representanten van de belangrijkste kunstuitingen in Azië. In de collectie is een aantal sterke kernen aan te wijzen:
Chinese oude kunst (sculpturen, bronzen, schilderingen en keramiek), Japanse schilder- en beeldhouwkunst, en tempelstukken en andere kunstwerken uit Indonesië. Ook bevat de collectie objecten uit India, Thailand, Laos, Sri Lanka, Korea en andere Aziatische landen.
Verder lezen over de geschiedenis van de VVAK in Aziatische Kunst, jaargang 38, nr. 3, 2008 en jaargang 40, nr. 2, 2010.

Maartje Draak Fonds
Prof. dr. Maartje Draak (1907-1995) heeft veel Aziatische Kunst verzameld in haar leven en heeft haar collectie nagelaten aan de Vereniging, die daaruit een keuze mocht maken. Als hommage aan Maartje Draak draagt het Fonds, dat is bestemd voor het doen van aankopen voor de Collectie van de Vereniging, haar naam. In bredere zin is het eveneens bestemd voor het financieren van activiteiten gericht op het vergroten van de kennis van Aziatische Kunst.
Uit de nagelaten collectie mocht de Vereniging een keuze maken. Veel objecten zijn toen toegevoegd aan de collectie van de Vereniging. Daarnaast werden objecten geveild. De opbrengst daarvan vormt de basis van het destijds opgerichte Fonds. Maartje Draak is jarenlang lid en ook bestuurslid geweest van de Vereniging. Maartje Draak was een markante persoonlijkheid en de Vereniging is haar veel verschuldigd. Al in haar middelbare schooltijd kreeg Maartje Draak belangstelling voor het verre Oosten. Het begon met belangstelling voor Chinese sprookjes. Toch besloot zij Nederlands te gaan studeren in Utrecht. Door de Utrechtse hoogleraar Keltologi, Prof. dr. A.G. Hamel, raakte zij geïnteresseerd in de Middeleeuwse literatuur uit de Keltische wereld en de verbanden met de Middelnederlandse Arthur romans.
Zij studeerde af in 1933 en promoveerde in 1936 in Utrecht cum laude op een dissertatie over de Middelnederlandse Roman van Walewijn. Eervol was de in de periode 1937-1938 verkregen beurs van de International Federation of University Women om in Engelse en Ierse bibliotheken handschriften van de Arthur teksten te bestuderen. In 1955 werd Maartje Draak als eerste vrouw toegelaten als lid van de afdeling Letterkunde van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. Van 1957 tot 1977 was zij buitengewoon hoogleraar in de Keltische taal- en letterkunde aan de Universiteit Utrecht en de Universiteit van Amsterdam en tot 1982 bleef zij werkzaam in haar vakgebied.
Bron: U-blad, 4-11-1999

